Vennootschapsbelasting

Belastingplan 2026

Tweede wijziging Wet minimumbelasting 2024 

De Wet minimumbelasting 2024, ook bekend als Pillar Two, introduceert een wereldwijd minimum effectief belastingtarief van 15% per jurisdictie voor grote internationale ondernemingen met een jaaromzet van meer dan 750 miljoen euro. 

Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de internationale afspraken binnen de OESO en de EU, gericht op het tegengaan van belastingontwijking en het bevorderen van een eerlijker belastingklimaat. 

In het wetsvoorstel dat nu voorligt, worden enkele technische verbeteringen doorgevoerd en aanvullingen gedaan op basis van internationale richtsnoeren. De meeste maatregelen gelden vanaf 31 december 2025. Voor een aantal onderdelen geldt terugwerkende kracht tot 31 december 2023. 

Daarbij gaat het onder meer om: 

  • de fiscale behandeling van doorkijk- en hybride entiteiten; 
  • de kwalificatie van joint ventures en gelieerde partijen; 
  • situaties waarin groepsmaatschappijen een afwijkend boekjaar hanteren; 
  • de verwerking van belastinglatenties die zijn ontstaan voor het overgangsjaar; 

Invoering EU-richtlijn DAC9 

De Europese richtlijn DAC9 verplicht lidstaten tot het delen van informatie over de minimumbelasting (Pillar Two). Onderdeel is de invoering van een vereenvoudigde procedure voor het indienen van een top-up tax information return. 

Herstel samenloop werkkostenregeling en aftrek gemengde kosten* 

Voor de bepaling van het bedrag aan gemengde kosten dat niet aftrekbaar is, wordt momenteel uitgegaan van het loonbegrip zoals dat geldt in de loonbelasting. Sinds de invoering van de werkkostenregeling is deze benadering echter ingewikkelder geworden en heeft dit onbedoeld geleid tot een bredere grondslag voor de aftrekbeperking. Om onbedoelde verbreding van de grondslag te corrigeren wordt de aftrekbeperking voortaan gebaseerd op het loon waarover daadwerkelijk loonbelasting wordt geheven. 

Aanpassing bezwaarmogelijkheid niet verrekende belasting * 

Er wordt geregeld dat tegen niet-verrekende belasting in de vennootschapsbelasting, zoals bij de deelnemingsverrekening, de verrekening van buitenlandse ondernemingswinsten en de verrekening van voordelen uit een gecontroleerd lichaam, alleen bezwaar en beroep mogelijk zijn voor het laatst vastgestelde jaar. Voor bedragen die in eerdere jaren al bij beschikking zijn vastgesteld, staat geen bezwaar of beroep meer open. 

Aanpassing minimumkapitaalregel in de vennootschapsbelasting 

De minimumkapitaalregel beperkt de renteaftrek voor banken en verzekeraars. De uitzondering voor intern liquiditeitsbeheer blijkt te ruim te zijn vormgegeven. De uitzondering geldt onbedoeld ook voor geldleningen die direct verband houden met geldleningen die zijn verkregen van natuurlijk personen. Daarom wordt deze uitzondering aangescherpt. Het kabinet stelt een technische aanpassing voor in lijn met de doelstelling van de uitzondering voor intern liquiditeitsbeheer.  

Daarmee komen geldleningen die direct verband houden met geldleningen die zijn verkregen van natuurlijk personen met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2026 eveneens buiten de uitzondering van intern liquiditeitsbeheer te vallen. De rente over deze leningen valt daardoor alsnog onder de minimumkapitaalregel en is daardoor niet onbeperkt aftrekbaar. 

Tijdelijk overgangsrecht fonds voor gemene rekening 

Per 1 januari 2025 is de definitie van het fonds voor gemene rekening (FGR) aangepast. Een belangrijk onderdeel van deze wijziging is het schrappen van het unanieme toestemmingsvereiste, dat internationaal ongebruikelijk was en aanleiding gaf tot verschillen in kwalificatie tussen belastingstelsels. Dergelijke verschillen kunnen ertoe leiden dat het ene land een FGR als fiscaal transparant beschouwt, terwijl een ander land hetzelfde lichaam als zelfstandig belastingplichtig aanmerkt. Dit kan leiden tot dubbele belasting of dubbele aftrek. 

Desondanks blijven er in de praktijk knelpunten bestaan met betrekking tot de fgr-definitie. Het kabinet voert momenteel onderzoek uit naar deze problematiek. Mogelijk resulteert dit in een nieuwe aanpassing van de FGR-definitie, die naar verwachting op zijn vroegst per 1 januari 2027 wordt ingevoerd. Deze wijziging zal ertoe leiden dat minder lichamen als FGR kwalificeren en dat bepaalde lichamen die tot 2025 transparant waren, vanaf 2027 opnieuw transparant worden. 

Om te voorkomen dat lichamen tijdelijk belastingplichtig worden voor de jaren 2025 en 2026, stelt het kabinet een overgangsmaatregel voor. Lichamen die tot en met 2024 fiscaal transparant waren, kunnen ervoor kiezen om vanaf 1 januari 2025 tijdelijk niet als FGR te worden aangemerkt, zodat ze transparant blijven.  Deze keuze maken zij kenbaar door zich niet als FGR aan te melden bij de Belastingdienst en dus niet als FGR aangifte vennootschapsbelasting te doen over 2025. Andersom geldt voor lichamen die de voorgestelde overgangsmaatregel niet wensen toe te passen dat zij zich wel dienen aan te melden als FGR bij de Belastingdienst. Een aangemeld FGR wordt geregistreerd als belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting en ontvangt dus een uitnodiging om aangifte vennootschapsbelasting te doen. 

De keuze voor deze overgangsmaatregel kan worden gemaakt tot uiterlijk 28 februari 2026. De regeling vervalt op 1 januari 2028, of eerder als de mogelijke wijziging van de FGR-definitie per 1 januari 2027 wordt doorgevoerd. 

Heeft u vragen?

Neem contact met ons op

Ivo Janssens
Vragen over dit rechtsgebied?
Neem contact op met Ivo Janssens

Team belastingrecht

Ivo Janssens

Advocaat/Belastingadviseur/Partner

Arjan de Vos

Belastingadviseur

Actueel

Bij de tijd

dinsdag 25 maart 2025

Aandacht voor de financiering van werknemersparticipaties

werknemersparticipaties

Werknemersparticipatie is een veel gebruikt middel om werknemers te stimuleren, te belonen en te   binden aan de onderneming. Er zijn diverse vormen van werknemersparticipaties. Bij bepaalde vormen van werknemersparticipaties wordt ook een daadwerkelijke investering verwacht. Lees er meer over in deze blog. 

dinsdag 11 juni 2024

Uitspraken Hoge Raad 6 juni 2024: voor box 3 is werkelijk rendement bepalend

werkelijk rendement | Delissen Martens

Op 6 juni 2024 heeft de Hoge Raad in vijf zaken bepaald dat een belastingplichtige die in box 3 een lager rendement heeft behaald dan het fictieve rendement, alleen belast mag worden voor het daadwerkelijk behaalde rendement. Dat betekent dat de herstel- en overbruggingswetgeving die inmiddels in werking was getreden in strijd wordt geacht met het EVRM en het Eerste Protocol bij het EVRM. Dat is nogal wat. Deze blog gaat kort in op wat er is voorafgaan aan deze uitspraak en wat de gevolgen ervan zijn voor de praktijk.