De advocaat bij het politieverhoor. Actieve deelnemer of schaamlap voor echte rechtsbijstand?

De advocaat bij het politieverhoor. Actieve deelnemer of schaamlap voor echte rechtsbijstand?

1 maart 2017 Besluit inrichting en orde politieverhoor

Naar verwachting geldt per 1 maart 2017 voor de opsporingspraktijk het Besluit inrichting en orde politieverhoor. Tegelijk met het Besluit treden enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering in werking. Met deze wetswijzigingen en dit besluit beoogt Minister van Justitie Blok invulling te geven aan Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement. Deze richtlijn beschrijft het recht van een verdachte op de aanwezigheid en deelname van zijn advocaat bij en aan het politieverhoor. De Hoge Raad had hier al een voorschot op genomen door eind 2015 te oordelen dat per 1 maart 2016 verhoorbijstand mogelijk moest zijn.

Invulling in strijd met Richtlijn

De invulling die de Minister evenwel in het Besluit aan de verhoorbijstand geeft, kan bezwaarlijk worden gezien als een die in lijn is met de Richtlijn. Weliswaar dient de deelname van de advocaat aan het verhoor in overeenstemming te zijn met nationale procedures, maar deze regels moeten de daadwerkelijke uitoefening en de essentie van het recht op bijstand onverlet laten. 

Die essentie van verhoorbijstand, waarbij de Richtlijn spreekt van daadwerkelijk deelnemen, is gericht op het uitoefening van het recht van een verdachte om zichzelf niet te incrimineren. Volgens de considerans van de Richtlijn moet de advocaat de mogelijkheid hebben vragen te stellen, verduidelijking te vragen en verklaringen af te leggen. 

Het Besluit beperkt echter de mogelijkheden van de advocaat door slechts toe te staan, - kort na het begin en kort voor de afloop ervan -, opmerkingen te maken en vragen te stellen. Daarnaast kan hij om een onderbreking van het verhoor vragen voor overleg onder  vier ogen met de verdachte. Deze bevoegdheden -  zo blijkt uit de toelichting op het Besluit - worden daarnaast nog begrenst doordat de advocaat van zijn bevoegdheden niet onredelijk gebruik mag maken en de orde en de voortgang van het verhoor niet mag verstoren. De verhorende opsporingsambtenaar mag de advocaat overigens meer ruimte geven dan hem volgens het Besluit toekomt, als hem, dat wil zeggen de opsporingsambtenaar, dit redelijk en doelmatig voorkomt.

Ervaringen tot nu toe 

Inmiddels hebben advocaten een klein jaar ervaringen kunnen opdoen met het verlenen van bijstand tijdens een regulier politieverhoor. Ook voor 1 maart 2016 kwam dit fenomeen wel voor, maar vaak in situaties waarin de recherche als gunst toegang tot het verhoor verleende, omdat daarin een eigen belang werd gezien. Ook bijzondere opsporingsdiensten, zoals bijvoorbeeld de FIOD, lieten al langer advocaten toe bij een verhoor.

Beperking in Richtlijn

In de dagelijkse praktijk blijkt de ruimte voor bijstand veelal groter dan het Besluit als minimum wil garanderen. Hoewel het voor beide partijen wennen is, is het mogelijk in goed overleg en met begrip voor elkaars positie een goede werkrelatie op te bouwen. Toch is het de vraag of dit met de inwerkingtreding van de wetswijziging en het Besluit en met name de toelichting erop zo blijft. Een belangrijk instrument van de advocaat is namelijk het advies aan de verdachte om zich met betrekking tot bepaalde vragen op het zwijgrecht te beroepen of anderszins in te grijpen. Het voert te ver hier in te gaan op de redenen die daarvoor kunnen bestaan, maar dat het een belangrijk recht is, staat wat mij betreft niet ter discussie. 

Dit belangrijke recht wordt echter illusoir als de advocaat niet per vraag de bevoegdheid zou hebben de verdachte hierop te wijzen en specifiek daartoe te adviseren als dat nodig blijkt. De toelichting op het Besluit lezende, lijkt dat nu juist een nadrukkelijke beperking te zijn die de Minister op het oog heeft. 

Met deze beperking gaat het Besluit wel volstrekt voorbij aan de dagelijkse praktijk van een verhoorsituatie. Het Besluit en de toelichting lijken namelijk uit te gaan van een ideale situatie, waarin de advocaat in 30 minuten voorafgaand aan een verhoor in staat is de verdachte vertrouwd te maken met zijn persoon en functie als advocaat, de relevante feiten boven tafel te halen, zijn advies daarover over te brengen en tot slot nog enkele praktische zaken af te stemmen. 

Verhoorbijstand in de praktijk 

De werkelijkheid is anders, heel anders. Veel verdachten ontwikkelen niet meteen de vertrouwensband met hun advocaat, die nodig is voor een compleet en allesomvattend advies. Sommige verdachten missen domweg de capaciteiten om hun advocaat van alle relevante informatie te voorzien. Wat te denken van (ver)taalproblemen, psychisch gestoorde verdachten of verdachten onder invloed? Daarbij komt nog dat de advocaat in de fase voorafgaand aan het eerste verhoor nog geen kennis heeft van het dossier. Vaak is niet meer bekend dan het enkele wetsartikel dat overtreden zou zijn. 

De advocaat zal dus in het gros van de gevallen met zeer beperkte voorkennis, en daarmee een beperkt advies, het verhoor in moeten. Je kunt er als advocaat dan voor kiezen om de verdachte zich in zijn geheel, dus op iedere vraag, op zijn zwijgrecht te laten beroepen. Zeker in zaken waarin toch al te voorzien is dat het eerste verhoor niet doorslaggevend is voor een snelle vrijlating, is dat een te overwegen proceshouding. Toch zijn er ook in die zaken situaties denkbaar dat zwijgen niet altijd de voorkeur heeft. Denk daarbij aan verdenkingen van witwassen of zaken waarin een beroep op zelfverdediging kansrijk is. De verdediging in die zaken wordt er niet altijd sterker op als pas in een later stadium verklaringen worden afgelegd. 

Zoals gezegd, de verdachten aan wie verhoorbijstand wordt verleend, kunnen de nodige problemen hebben die maken dat een actieve bijstand vereist is. Echter, ook in zaken van verdachten die beter in staat zijn een verklaring af te leggen, moet het belang van actieve bijstand niet onderschat worden. Een gemiddelde verdachte kan namelijk zelf niet inschatten of het beroep op het zwijgrecht nuttig of noodzakelijk is. Ook kunnen veel vragen die op zichzelf duidelijk zijn of niet direct strijden met het pressieverbod toch aanleiding zijn voor ingrijpen van de advocaat. Een niet juridisch geschoolde verdachte kan namelijk de reikwijdte van een antwoord niet meteen overzien. Ook moet niet onderschat worden dat verhoren een bijzonder vak is, waarbij niet zelden op meer of minder subtiele wijze technieken worden toegepast die tot doel hebben een verdachte meer te laten zeggen dan hij eigenlijk van plan was. 

Actieve bijstand noodzakelijk 

Het moge duidelijk zijn dat een advocaat, die enkel aan het begin en eind van een verhoor opmerkingen mag maken maar voor het overige niet in mag grijpen, niet de bijstand kan verlenen die van hem verwacht wordt. Het recht om jezelf niet te hoeven belasten, is dan een loze letter. Naderhand pas opmerken dat een verhoorder te gehaast of onvolledig is, de vertalingen van een tolk niet in orde zijn of dat een antwoord verkeerd begrepen of verstaan is, mist ieder doel als het momentum al voorbij is. Het levert zinloze welles-nietes discussies op die de kwaliteit van de verklaring en de duidelijkheid ervan niet ten goede komen. 

Kortom, in de praktijk van alledag ligt een belangrijk argument om de advocaat de ruimte te bieden daadwerkelijk deel te nemen aan het verhoor en alle redelijke bijstand te bieden op ieder moment dat dat nodig blijkt. Die alledaagse verhoorpraktijk vindt uiteindelijk zijn vertaling in een proces-verbaal van verhoor van de verdachte. Aan een dergelijk proces-verbaal wordt als bewijsmiddel doorgaans veel waarde gehecht. Het valt echter te voorzien dat rechters weinig consequenties zullen verbinden aan het betoog van een advocaat om een bekennende verklaring van het bewijs uit te sluiten als hij daar zelf bij aanwezig is geweest, maar niet heeft ingegrepen. Ook daarom is het van belang dat de advocaat daadwerkelijk op ieder moment kan ingrijpen zonder daarin aan beperkingen onderworpen te zijn. Iedere andere invulling van het recht op verhoorbijstand zou de aanwezigheid van de advocaat enkel en alleen maken tot een schaamlap om de Nederlandse praktijk Richtlijn-proef te maken. 

Hendrik Sytema

 

Heeft u naar aanleiding van bovenstaande vragen? Neem contact op met Hendrik Sytema (sytema@delissenmartens.nl) of met uw eigen contactpersoon bij Delissen Martens T + 31 70 311 54 11.

Deze Nieuwsflits is slechts een algemene weergave van het geldende recht. Het kan op geen enkele wijze als advies in uw specifieke situatie dienen.

Linkedin Twitter