Hoe zit het ook al weer met de goodwill/klantenvergoeding bij einde agentuurovereenkomst?

Regelmatig krijgen wij de vraag gesteld wat de rechten van een agent zijn bij het eindigen van een agentuurovereenkomst. Een van de rechten betreft het recht van de agent op een klantenvergoeding, ook wel goodwillvergoeding genoemd. Het is het recht van de agent om bij het eindigen van de agentuurovereenkomst een financiële vergoeding te ontvangen. Het recht op deze vergoeding is Europees geregeld.   

In Europa zijn de EU-lidstaten gebonden aan De Europese Agentuurrichtlijn (86/653 EEG) (''de Richtlijn"). De Richtlijn bevat algemene regels voor agentuur die in elke lidstaat zijn verwerkt in nationale wetgeving. De Europese wetgever heeft de verschillen tussen de lidstaten zo klein mogelijk willen maken met het oog op bevordering van de handel tussen de verschillende landen. De Richtlijn biedt de vrijheid de regels ruimer te implementeren in de nationale wet. Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderwerpen waarvoor een agentuurovereenkomst kan worden gesloten (in Nederland ook voor diensten en niet alleen de aan- en verkoop van goederen), of ten aanzien van concurrentiebedingen die kunnen worden opgelegd aan de handelsagent. Binnen Europa bestaat er op grond van de Richtlijn een zeker "minimumniveau" van bescherming.

Het Europese recht op een vergoeding bij het einde van de agentuurovereenkomst

De Richtlijn bevat een regeling over de vergoedingen waar agenten recht op hebben bij beëindiging van de agentuurovereenkomst. Dit artikel bepaalt – kort gezegd – dat de agent bij beëindiging van de agentuurovereenkomst financieel gecompenseerd moet worden voor het nadeel dat voor hem voortvloeit uit het eindigen van de agentuurovereenkomst.

Recht op een vergoeding heeft de agent alleen indien:

  • hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en
  • de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat.

Over de hoogte van de vergoeding bepaalt artikel 17 van de Richtlijn dat die niet meer mag bedragen dan een cijfer dat overeenkomt met een jaarlijkse vergoeding berekend, op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.

Er bestaat volgens de Richtlijn onder omstandigheden nog een andere vorm van vergoeding, namelijk het recht op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend. 
Dit nadeel vloeit in het bijzonder voort uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij:

  • de handelsagent niet de provisies krijgt die hij bij normale uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van de handelsagent;
  • en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.

De agent moet zijn aanspraak op genoemde vergoedingen binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst aan de principaal meedelen.

De agent heeft niet altijd recht op vergoeding of het herstel van artikel 17. Artikel 18 bepaalt namelijk dat de vergoeding of het herstel op grond van artikel 17, niet is verschuldigd:

a)      indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn;

b)      indien de handelsagent de overeenkomst beëindigd heeft, tenzij deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal kunnen worden toegerekend of wordt gerechtvaardigd door leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent op grond waarvan redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet;

c)       indien de handelsagent, overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt.

Contractueel mogen partijen niet ten nadele van de agent afwijken van deze artikelen. Dat staat in artikel 19 van de Richtlijn.

De juridische situatie in Nederland (en België) is voor wat betreft de rechten van de agent op een vergoeding bij het einde van de overeenkomst in overeenstemming met de Richtlijn.

Het recht van de agent op een goodwill/klantenvergoeding in Nederland

De regels in Nederland zijn nagenoeg gelijkluidend aan hetgeen in de Richtlijn is bepaald. Artikel 7: 442 Burgerlijk Wetboek luidt:

Artikel 7:442 Burgelijk Wetboek

1. Ongeacht het recht om schadevergoeding te vorderen, heeft de handelsagent bij het einde van de agentuurovereenkomst recht op een vergoeding, klantenvergoeding, voor zover:

  • hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en
  • de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de verloren provisie uit de overeenkomsten met deze klanten.

2. Het bedrag van de vergoeding is niet hoger dan dat van de beloning van één jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren of, indien de overeenkomst korter heeft geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan.

3. Het recht op vergoeding vervalt, indien de handelsagent de principaal niet uiterlijk een jaar na het einde van de overeenkomst heeft medegedeeld dat hij vergoeding verlangt.

4. De vergoeding is niet verschuldigd, indien de overeenkomst is beëindigd:

  • door de principaal onder omstandigheden die de handelsagent ingevolge artikel 439 lid 3 schadeplichtig maken;
  • door de handelsagent, tenzij deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal kunnen worden toegerekend, of wordt gerechtvaardigd door leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent, op grond waarvan redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet;
  • door de handelsagent die, overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt.

Afwijken in agentuurcontract niet mogelijk

Er kan van artikel 442 BW niet vóór het einde van de agentuurovereenkomst worden afgeweken. Contractueel is het recht op de “goodwillvergoeding” dus niet uit te sluiten. Maar in de praktijk wil nog wel eens discussie ontstaan over de verschuldigdheid en de hoogte van de goodwill/klantvergoeding bij het eindigen van de agentuurovereenkomst.

Onze expertise

Onze ICT-recht advocaten zijn met name gespecialiseerd in agentuurovereenkomsten met betrekking tot software en technologische producten en diensten. Maar ook bij een agentuurovereenkomst voor de meer traditionele producten of diensten kunnen wij u als principaal of agent adviseren over de inhoud van de agentuurovereenkomst. Ook als een juridische procedure noodzakelijk is, kunnen wij u bijstand verlenen.  

Mark Krul

ICT-recht advocaat

 

Deze weblog is slechts een algemene weergave van het geldende recht. Het kan op geen enkele wijze als advies in uw specifieke situatie dienen.

Gepubliceerd op: 1 september 2017 in Contractenrecht, ICT-recht
Vragen?
Neem contact op met Mark (M.R.) Krul
Hoe zit het ook al weer met de goodwill/klantenvergoeding bij einde agentuurovereenkomst?
Delen:

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven? Wij sturen periodiek een gratis nieuwsbrief met actualiteiten op juridisch gebied.