Alle verzoeken werktijdverkorting stikstof- en PFAS-crisis afgewezen

In oktober 2019 werd er in de politiek nog gesproken over de mogelijkheid - in het kader van een noodplan -  werktijdverkorting aan te vragen voor bedrijven die geraakt zijn door de stikstof- en PFAS-crisis. Bedrijven die personeel in dienst hebben waar geen werk voor is, zouden bij het ministerie van Sociale Zaken tijdelijk werktijdverkorting aan kunnen vragen, waarna het salaris door het UWV zou worden aangevuld. Een aantal van mijn cliënten heeft een dergelijk verzoek ingediend, echter, zonder succes. Ik heb moeten constateren dat alle verzoeken tot werktijdverkorting worden afgewezen. Volgens mij ten onrechte. In dit blog leg ik uit waarom.

Alle werktijdverkorting afgewezen, terecht?

Inmiddels heeft een aantal bedrijven dat zwaar is geraakt door de stikstof- en PFAS-crisis verzoeken tot werktijdverkorting ingediend. Ik was benieuwd hoeveel bedrijven van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. Bij het ministerie van Sociale Zaken heb ik de cijfers opgevraagd. Uit de schriftelijke reactie van het Ministerie blijkt dat tussen juni 2019 en 22 januari 2020 slechts 28 bedrijven hadden verzocht om werktijdverkorting. Wat is de reden voor dit lage aantal? Gezien de berichtgeving in de media dat meer dan 27.000 banen op het spel staan, had ik een hoger aantal verwacht. Zijn bedrijven niet bekend met de mogelijkheid tot werktijdverkorting of vinden bedrijven een andere oplossing voor deze crisis? Hoe zit dat?    

Het antwoord moet ik u voorlopig verschuldigd blijven maar wat ik wel weet is dat al deze 28 verzoeken zijn afgewezen met de volgende motivering:

"U heeft aangegeven dat de verminderde bedrijvigheid in uw onderneming wordt veroorzaakt door de stikstofproblematiek en/of de PFAS-problematiek. 

Op grond van de Beleidsregels ontheffing verbod werktijdverkorting 2004 zijn gewijzigd overheidsbeleid en quoteringsmaatregelen geen reden voor het toekennen van Werktijdverkorting. Derhalve kan de stikstofproblematiek en/of de PFAS-problematiek als oorzaak voor de verminderde bedrijvigheid niet als een buitengewone omstandigheid in de zin van voornoemde beleidsregels worden aangemerkt.”

 De vraag is of deze afwijzingsgrond steekhoudend is. Voor een antwoord op die vraag, ontkom ik er niet aan om de wet te raadplegen. 

Juridische grondslag werktijdverkorting

Een werkgever mag op grond van artikel 8 lid 1 het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhouding 1945 (BBA) de gebruikelijke werktijd van een werknemer niet verminderen, voor zover dit betekent dat er daardoor ook minder salaris wordt uitbetaald. Het verbod op werktijdverkorting is ingevoerd om misbruik tegen het ontslagverbod uit artikel 6 BBA tegen te gaan. In bepaalde gevallen kan desondanks ontheffing worden verleend voor dit verbod op werktijdverkorting. Welke gevallen dit zijn moet op grond van artikel 8 lid 3 BBA nader worden toegelicht in een beleidsregel. In 2004 zijn daarom de Beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting ingevoerd.

Op grond van beleidsregel 1 verleent de minister ontheffing als er aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Eén van de voorwaarden is dat er sprake moet zijn van buitengewone omstandigheden, die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico behoren.

Toepassing wet op verzoeken werktijdverkorting

In de toelichting op het beleid staat dat als er sprake is van ‘quoteringsmaatregelen’ en ‘veranderd gedrag van de overheid’, sprake is van situaties die voor risico van de werkgever komen. Dit is ook de grondslag die de Minister gebruikt om de verzoeken van de 28 bedrijven om werktijdverkorting te mogen aanvragen, af te wijzen. Of een beleidswijziging gezien moet worden als veranderd gedrag van de overheid, staat niet expliciet in de toelichting.

Verder in de toelichting op het beleid staat dat indien er sprake is van plaatselijke, regionale of andere calamiteiten, waarvan de effecten zich niet beperken tot een enkele onderneming, er telkens afzonderlijk wordt beoordeeld of zij tot het normale ondernemersrisico behoren of niet.

In de toelichting worden de volgende voorbeelden uit het verleden genoemd, waarbij niet werd aangenomen dat de calamiteit tot het normale ondernemersrisico behoort: “het in 1995 ontruimen van de Betuwe wegens hoog water, de vuurwerkramp in Enschede in 2000, de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten in 2001, de oorlog in Irak in 2003, dierziekten die als gevolg van overheidsmaatregelen leiden tot geheel of gedeeltelijke stillegging van productie, verwerking en/of vervoer van al dan niet besmette dieren (MKZ- varkens en vogelpest- crises) en (tot dan toe onbekende) virusziekten zoals SARS. Van belang is verder, dat er een directe relatie moet bestaan tussen de aangevoerde oorzaak en de werkvermindering.”

De toelichting op beleidsregel 1 geeft volgens mij ruimte om het standpunt te verdedigen dat in geval van de stikstof- en PFAS-crisis sprake is van overheidshandelen dat niet tot normaal ondernemersrisico kan worden gerekend.

Geen gewijzigd overheidsbeleid/quotering maar wijziging wet

In geval van de stikstofcrisis is geenszins sprake van gewijzigd overheidsbeleid en/of quotering. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) bestond uit een wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998, het Inwerkingtredingsbesluit programma aanpak stikstof, het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof en de Regeling programmatische aanpak stikstof. Als al gesproken zou kunnen worden van een wijziging, dan zou het om een wijziging van de wet- en regelgeving en niet een beleidswijziging gaan. Echter, een beleidswijziging is niet aan de orde. De wet- en regelgeving waaruit het PAS bestond is op 29 mei 2019 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in strijd met de Europese Habitatrichtlijn, en daardoor onverbindend verklaard. Het betreft dus geen wijziging van overheidsbeleid maar een onverbindend verklaring van de relevante wet- en regelgeving door de bestuursrechter. Bovendien is de impact van de PAS-uitspraak dusdanig groot dat, gelet op de ratio van het beleid, kan worden gesproken van een calamiteit die niet tot het normale ondernemersrisico behoort.

Kortom

De reden die de Minister hanteert om de verzoeken van werktijdverkorting af te wijzen, is daarom niet conform de wet- en regelgeving. De stikstof- en PFAS-crisis was voor bedrijven onvoorzienbaar en kan niet als normaal ondernemersrisico worden gezien. Voor zover bedrijven geconfronteerd werden met een afwijzing, raad ik hen aan om bezwaar, dan wel beroep bij de rechter aan te tekenen.

Nieuwe ontwikkeling werktijdverkorting

In reactie op de vele aanvragen om werktijdverkorting die als gevolg van de Corona-crisis zijn ingediend, heeft de overheid de regeling voor werktijdverkorting op 17 maart 2020 afgeschaft. In plaats daarvan zal de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW) worden ingevoerd. De regeling is ten tijde van het schrijven van dit blog nog niet gepubliceerd.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit blog? Neem dan contact op met advocaat Janina Hamann

Gepubliceerd op: 31 maart 2020 in Arbeidsrecht, Bestuursrecht
Vragen?
Neem contact op met Janina (J.E.) Hamann
Alle verzoeken werktijdverkorting stikstof- en PFAS-crisis afgewezen
Delen:

Nieuwsbrief

Op de hoogte blijven? Wij sturen periodiek een gratis nieuwsbrief met actualiteiten op juridisch gebied. Door uw e-mailadres in te vullen geeft u toestemming voor het ontvangen van onze nieuwsbrief. Deze toestemming kunt u altijd intrekken, door op de unsubscribe link te klikken onderaan de e-mails die u van ons ontvangt. Lees ons Privacy Statement voor meer informatie over hoe wij omgaan met uw persoonsgegevens.